Het optimale belastingtarief: hoort het hoogste tarief bij de hoogste inkomens?

7 min lezen

Hoort het hoogste belastingtarief vanzelf bij de hoogste inkomens? De economische optimale-belastingtheorie komt tot een opvallend antwoord. Volgens dat model volgt het ideale marginale tarief een U-vorm: relatief hoog voor de laagste inkomens, lager voor het brede midden, en daarboven weer wat hoger. Let op: dat is een uitkomst van een model, geen oordeel over wat eerlijk is.

Eén tarief of meerdere?

Sommigen pleiten voor een vlaktaks: één tarief voor iedereen. Dat is eenvoudig en makkelijk uit te voeren. Toch laten beleidssimulaties zien dat een vlaktaks alleen meer banen oplevert als de inkomensverschillen groter worden. Compenseer je de laagste inkomens, bijvoorbeeld met een hogere algemene heffingskorting, dan stijgt juist het tarief voor de middenklasse. En dat kost weer werk. Nobelprijswinnaar James Mirrlees liet zien dat het binnen deze theorie beter is om met meerdere tarieven te heffen.

De afweging in het model

De optimale-belastingtheorie weegt in haar modellen steeds twee dingen tegen elkaar af.

  • De baten van herverdelen. In het model is een euro meer waard voor iemand met een laag inkomen dan voor iemand met een hoog inkomen. Belasting die herverdeelt, levert dan maatschappelijk nut op.
  • De kosten van herverdelen. Belasting remt de prikkel om te werken. Hoe sterker mensen op een tarief reageren, hoe hoger die kosten.

Een tarief is in deze afweging optimaal als de baten en de kosten van de laatste euro herverdeling gelijk zijn. En dat hangt sterk af van hoeveel mensen op een bepaald inkomensniveau zitten.

De U-vorm volgens de theorie

Stel je de inkomensverdeling voor. Weinig mensen verdienen een laag inkomen, een grote groep zit in het midden, en naar boven toe worden het er steeds minder. In het model bepaalt die verdeling het optimale tarief.

Twee grafieken naast elkaar. Links de inkomensverdeling: weinig mensen met een laag inkomen (punt A), de grootste groep in het midden (punt B) en naar de hoge inkomens toe steeds minder mensen (punt C). Rechts het optimale marginale tarief als spiegelbeeld daarvan: relatief hoog bij de lage inkomens, het laagst bij de grote middengroep en weer wat hoger aan de top, samen een soort U-vorm.
Links de inkomensverdeling, rechts het optimale tarief dat daaruit volgt. Waar de meeste mensen zitten (punt B), zijn de kosten van herverdeling het hoogst en is het optimale tarief het laagst; aan de randen (punten A en C) is dat juist omgekeerd. Zo ontstaat de "soort U-vorm". Illustratie uit het promotieonderzoek.

Aan de onderkant

Weinig mensen verdienen een laag inkomen. Een hoog tarief schrikt daar dus weinig mensen af, en de kosten zijn laag. De baten zijn juist hoog, want vrijwel iedereen daarboven betaalt dat tarief ook over zijn eerste euro's. Die opbrengst kan worden gebruikt om de gemiddelde druk voor diezelfde lage inkomens te verlagen, via hogere kortingen of toeslagen.

In het midden

Hier zit de grootste groep mensen. Een hoog tarief raakt dus veel mensen en lokt veel gedrag uit. De kosten lopen op. Om die in toom te houden, daalt het optimale tarief in het midden volgens het model. Het laagste punt van de U ligt bij die grootste groep.

Aan de top

Boven het midden verdienen steeds minder mensen steeds meer. De gedragseffecten nemen weer af, dus het tarief kan weer iets stijgen. Maar de baten van herverdelen zijn hier laag, simpelweg omdat zo weinig mensen dit toptarief betalen. In het model blijft het optimale toptarief daarom achter bij dat aan de onderkant.

Het klinkt mogelijk paradoxaal, maar de opbrengst van een hoog marginaal tarief aan de onderkant van het inkomensgebouw kan juist worden gebruikt om de gemiddelde belastingdruk voor diezelfde inkomens te verlagen door middel van hogere kortingen of toeslagen. Proefschrift A.T.H. van der Linden (VU, 2024), §1.5

Wat het model wel en niet zegt

De U-vorm is een uitkomst binnen een model. Hij hangt sterk af van de aannames: hoe sterk mensen op belasting reageren, hoe de inkomens verdeeld zijn, en vooral hoeveel gewicht de samenleving aan herverdeling geeft. Verander die aannames, en de optimale tarieven verschuiven mee.

De theorie zegt dus niet dat hoge inkomens geen hoog tarief zouden moeten betalen. Ze laat alleen zien hoe een model efficiëntie en herverdeling tegen elkaar afweegt. Wat eerlijk of wenselijk is, blijft een politieke en morele keuze. Die staat los van het model.

En in de praktijk?

Los van de theorie laat onderzoek naar het Nederlandse stelsel iets opvallends zien. De hoogste marginale druk valt in de praktijk vaak niet bij de allerhoogste inkomens, maar bij lagere en middeninkomens. Daar stapelen belasting en afbouwende toeslagen op elkaar. Dat is een constatering over hoe het stelsel nu uitpakt, niet over hoe het zou moeten zijn. Reken na waar de pieken in jouw inkomen liggen.

Gebaseerd op het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden, De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), §1.4 en §1.5.