Hoort het hoogste belastingtarief vanzelf bij de hoogste inkomens? De economische optimale-belastingtheorie komt tot een opvallend antwoord. Volgens dat model volgt het ideale marginale tarief een U-vorm: relatief hoog voor de laagste inkomens, lager voor het brede midden, en daarboven weer wat hoger. Let op: dat is een uitkomst van een model, geen oordeel over wat eerlijk is.
Sommigen pleiten voor een vlaktaks: één tarief voor iedereen. Dat is eenvoudig en makkelijk uit te voeren. Toch laten beleidssimulaties zien dat een vlaktaks alleen meer banen oplevert als de inkomensverschillen groter worden. Compenseer je de laagste inkomens, bijvoorbeeld met een hogere algemene heffingskorting, dan stijgt juist het tarief voor de middenklasse. En dat kost weer werk. Nobelprijswinnaar James Mirrlees liet zien dat het binnen deze theorie beter is om met meerdere tarieven te heffen.
De optimale-belastingtheorie weegt in haar modellen steeds twee dingen tegen elkaar af.
Een tarief is in deze afweging optimaal als de baten en de kosten van de laatste euro herverdeling gelijk zijn. En dat hangt sterk af van hoeveel mensen op een bepaald inkomensniveau zitten.
Stel je de inkomensverdeling voor. Weinig mensen verdienen een laag inkomen, een grote groep zit in het midden, en naar boven toe worden het er steeds minder. In het model bepaalt die verdeling het optimale tarief.
Weinig mensen verdienen een laag inkomen. Een hoog tarief schrikt daar dus weinig mensen af, en de kosten zijn laag. De baten zijn juist hoog, want vrijwel iedereen daarboven betaalt dat tarief ook over zijn eerste euro's. Die opbrengst kan worden gebruikt om de gemiddelde druk voor diezelfde lage inkomens te verlagen, via hogere kortingen of toeslagen.
Hier zit de grootste groep mensen. Een hoog tarief raakt dus veel mensen en lokt veel gedrag uit. De kosten lopen op. Om die in toom te houden, daalt het optimale tarief in het midden volgens het model. Het laagste punt van de U ligt bij die grootste groep.
Boven het midden verdienen steeds minder mensen steeds meer. De gedragseffecten nemen weer af, dus het tarief kan weer iets stijgen. Maar de baten van herverdelen zijn hier laag, simpelweg omdat zo weinig mensen dit toptarief betalen. In het model blijft het optimale toptarief daarom achter bij dat aan de onderkant.
Het klinkt mogelijk paradoxaal, maar de opbrengst van een hoog marginaal tarief aan de onderkant van het inkomensgebouw kan juist worden gebruikt om de gemiddelde belastingdruk voor diezelfde inkomens te verlagen door middel van hogere kortingen of toeslagen. Proefschrift A.T.H. van der Linden (VU, 2024), §1.5
De U-vorm is een uitkomst binnen een model. Hij hangt sterk af van de aannames: hoe sterk mensen op belasting reageren, hoe de inkomens verdeeld zijn, en vooral hoeveel gewicht de samenleving aan herverdeling geeft. Verander die aannames, en de optimale tarieven verschuiven mee.
De theorie zegt dus niet dat hoge inkomens geen hoog tarief zouden moeten betalen. Ze laat alleen zien hoe een model efficiëntie en herverdeling tegen elkaar afweegt. Wat eerlijk of wenselijk is, blijft een politieke en morele keuze. Die staat los van het model.
Los van de theorie laat onderzoek naar het Nederlandse stelsel iets opvallends zien. De hoogste marginale druk valt in de praktijk vaak niet bij de allerhoogste inkomens, maar bij lagere en middeninkomens. Daar stapelen belasting en afbouwende toeslagen op elkaar. Dat is een constatering over hoe het stelsel nu uitpakt, niet over hoe het zou moeten zijn. Reken na waar de pieken in jouw inkomen liggen.
Gebaseerd op het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden, De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), §1.4 en §1.5.