De stille belastingverhoging: hoe niet-indexeren werkt

6 min lezen

Een belastingverhoging hoeft niet via een hoger tarief te lopen. De overheid kan je meer laten betalen zonder ook maar één schijftarief aan te raken — door simpelweg de jaarlijkse indexatie te beperken. Het is een van de minst zichtbare, maar meest gebruikte manieren om de lasten te verzwaren.

Twee knoppen: het tarief en de indexatie

Je belasting hangt niet alleen af van de schijftarieven, maar ook van de inkomensgrenzen waarop die tarieven en de heffingskortingen aangrijpen. Die grenzen worden elk jaar aangepast aan de inflatie, meestal via de tabelcorrectiefactor. De reden is logisch: inflatie holt je draagkracht uit. Met €40.000 koop je volgend jaar minder dan dit jaar. Door de grenzen mee te laten stijgen blijft het stelsel in reële termen ongeveer gelijk.

Hoe niet-indexeren een verhoging wordt

Beperkt de overheid die indexatie, dan stijgt jouw inkomen wél met de inflatie of de loonontwikkeling, maar de grenzen blijven achter. Het gevolg: je schuift eerder een hoger tarief in, of je belandt eerder in de afbouw van een heffingskorting. Zonder dat het tarief op papier verandert, betaal je een groter deel van je inkomen. Economen noemen dit verschijnsel bracket creep: je kruipt omhoog door de schijven puur doordat de grenzen achterblijven.

Een voorbeeld. Stel je verdient €40.000 en door de inflatie wordt je loon volgend jaar €42.000 — je kunt er niet méér van kopen. Normaal schuift de grens waarboven het hogere tarief begint even hard mee omhoog, zodat er fiscaal niets verandert. Houdt de overheid die grens kunstmatig laag, dan komt een groter deel van je loon in dat hogere tarief terecht. Je betaalt meer belasting, terwijl het tarief op papier geen cent veranderde.

Niet alleen de hoogste inkomens

Een voorbeeld. Het kabinet indexeerde het aangrijpingspunt van het hoogste schijftarief — de grens waarboven het toptarief begint — bewust beperkt. Dat is een structurele verlaging van die grens, en wie daardoor eerder in de hoogste schijf valt, krijgt een hogere marginale druk. Maar het raakt breder dan de top. De bovengrens van de afbouw van de algemene heffingskorting is aan datzelfde aangrijpingspunt gekoppeld. Doordat de afbouw over een korter inkomenstraject moet plaatsvinden, stijgt het afbouwpercentage. In 2024 steeg dat percentage zo van 6,095% naar 6,630% — een kleine maar blijvende belastingverhoging voor de middeninkomens in die zone, opnieuw zonder dat één schijftarief veranderde. In 2026 bedraagt het afbouwpercentage 6,398% (artikel 8.10 Wet IB 2001).

De arbeidskorting volgt een eigen spoor

Nog subtieler: de op- en afbouwgrenzen van de arbeidskorting worden niet via de tabelcorrectiefactor geïndexeerd, maar via het wettelijk minimumloon. Toen het minimumloon fors werd verhoogd en de tabelcorrectiefactor tegelijk achterliep, daalden de opbouwtarieven van de arbeidskorting. Het onbedoelde gevolg: juist lagere inkomens bouwden minder arbeidskorting op en betaalden daardoor méér belasting — terwijl zij door de inflatie al het hardst werden geraakt. Het kabinet noemde die doorwerking, nadat ze was aangetoond, onbedoeld en ongewenst, en paste de regeling bij het Belastingplan 2023 aan.

Nu zijn de effecten van de keuzes en het gevoerde beleid ten aanzien van de belastingdruk voor burgers nauwelijks nog te volgen. Proefschrift A.T.H. van der Linden (VU, 2024), §2.2.5

Waarom dit ertoe doet

Een stille verhoging is niet alleen een kwestie van centen. Ze raakt aan iets democratisch: burgers moeten de gevolgen van belastingbeleid kunnen begrijpen om politici op hun keuzes te kunnen aanspreken. Een zichtbaar hoger schijftarief is navolgbaar; een beperkte indexatie of een opgeschoven afbouwgrens is dat nauwelijks. Het onderzoek pleit er daarom voor om budgettaire opbrengsten zoveel mogelijk via de zichtbare schijftarieven te halen, in plaats van via de moeilijk te doorgronden kortingen- en indexatiesfeer.

Wil je zien hoe de schijven en kortingen voor jouw inkomen uitpakken? Reken het na in de situatieberekening en bekijk je marginale druk over je hele inkomen.

Gebaseerd op A.T.H. van der Linden, "De verminderde inflatiecorrectie raakt niet alleen de hoogste inkomens" (WFR 2023/260) en "De rol van de inkomstenbelasting in koopkrachtreparatie onderbelicht!" (WFR 2022/143), opgenomen in het promotieonderzoek De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), §2.2.4 en §2.2.5. Genoemde percentages gelden voor de genoemde jaren en wijzigen per jaar.