"Meer werken loont niet, dat is een armoedeval." Het is een veelgehoorde conclusie, en vaak een te snelle. Een hoge marginale druk en een echte armoedeval zijn niet hetzelfde. Het verschil zit in waar je naar kijkt.
Van een armoedeval spreken we als meer gaan werken je netto vrijwel niets oplevert, of je er zelfs op achteruit gaat. Beslissend is dan je besteedbaar inkomenJe bruto-inkomen min de belasting die je betaalt, plus de toeslagen die je krijgt. Wat je daadwerkelijk te besteden hebt.. Blijft dat gelijk of daalt het terwijl je meer bruto verdient, dan zit je in een val.
Er is geen wettelijke definitie van dit begrip, en ook in de economische literatuur wordt het niet overal hetzelfde afgebakend. Deze site hanteert een gekozen, strikte maat: er is pas sprake van een val als je er in euro's niet op vooruitgaat. Dat is bewust streng, omdat "meer werken loont niet" anders al te snel wordt geroepen. In internationaal onderzoek wordt daarnaast een ruimere maat gebruikt, waarbij al van een lage-lonenval wordt gesproken als een héél groot deel van het extra arbeidsinkomen weglekt naar belasting en afbouwende regelingen, zonder dat de 100% wordt gehaald. Beide maten meten iets echts; ze trekken de grens alleen ergens anders.
Drie getallen maken dat verschil zichtbaar. Verdien je €100 bruto extra:
Als iemand zegt dat werken niet loont, is de eerste vraag dus welke van deze drie hij bedoelt.
Een hoge marginale druk betekent dat je van elke extra euro een groot deel inlevert, bijvoorbeeld 80%. Dat klinkt als een val, maar dat is het niet, zolang je van die euro nog iets overhoudt. In dit geval 20 cent. Je besteedbaar inkomen stijgt dan nog steeds, alleen langzamer.
Sterker nog: juist wie veel toeslagen krijgt, heeft een hoge marginale druk en tegelijk een laag gemiddeld tarief en een relatief hoog besteedbaar inkomen. Zoals het onderzoek het stelt:
Vanuit het besteedbare inkomen bezien is een hoge marginale druk dus niet voldoende om te concluderen dat sprake is van een armoedeval. Proefschrift A.T.H. van der Linden (VU, 2024), §3.1
Een hoge marginale druk is dus een reden om goed te kijken, maar geen bewijs van een val. Lees ook: het verschil tussen gemiddelde en marginale druk.
Een echte armoedeval ontstaat in de uitzonderlijke gevallen waarin alle effecten samen een marginale druk van rond of boven de 100% opleveren. Dat kan gebeuren bij:
In die gevallen kan meer werken je netto inderdaad niets opleveren, of je zelfs benadelen. Maar het zijn specifieke, vaak voorspelbare punten. Geen algemene regel voor iedereen met een hoge marginale druk.
Of meer werken voor jou loont, hangt af van je inkomen, je toeslagen en eventuele lokale regelingen. Eén getal volstaat niet. Je moet marginale druk, gemiddelde druk en besteedbaar inkomen samen bekijken. De situatieberekening doet dat voor jouw eigen situatie, voor elk uurloon en elk aantal uren. Zo zie je of er ergens een echte val ligt.
Gebaseerd op het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden, De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), §3.1.
Van een armoedeval spreken we als meer gaan werken je netto vrijwel niets oplevert, of je er zelfs op achteruit gaat. Beslissend is je besteedbaar inkomen: blijft dat gelijk of daalt het terwijl je bruto meer verdient, dan zit je in een val.
Nee. Een marginale druk van bijvoorbeeld 80% betekent dat je van elke extra euro 20 cent overhoudt. Je besteedbaar inkomen stijgt dan nog steeds, alleen langzamer. Wie veel toeslagen krijgt, heeft juist vaak een hoge marginale druk én een relatief hoog besteedbaar inkomen. Een hoge marginale druk is dus een reden om goed te kijken, geen bewijs van een val.
Een echte armoedeval ontstaat in de uitzonderlijke gevallen waarin alle effecten samen een marginale druk van rond of boven de 100% opleveren. Dat gebeurt bij extreme stapeling van afbouwende regelingen, of bij harde inkomensgrenzen waarbij een regeling niet geleidelijk afbouwt maar ineens helemaal wegvalt. Of dat punt in jouw inkomen ligt, zie je in de situatieberekening.