Waarom betaalt iemand met een uitkering meer belasting dan een werkende?

5 min lezen

Neem twee mensen met precies hetzelfde bruto-inkomen. De één verdient het met werken, de ander krijgt een uitkering. Toch houdt de werkende netto meer over. Niet door een lager tarief, want ze vallen onder dezelfde schijven. Het komt door één regel die vaak over het hoofd wordt gezien.

De arbeidskorting geldt alleen over arbeidsinkomen

De belangrijkste kortingen voor werkenden zijn de arbeidskortingEen heffingskorting voor wie werkt. Hij bouwt eerst op met je arbeidsinkomen en bouwt daarna weer af; die afbouw verhoogt je marginale druk. en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)Een heffingskorting voor werkende ouders met een jong kind. Anders dan de meeste kortingen bouwt hij op met je arbeidsinkomen, in plaats van af.. Die worden berekend over je arbeidsinkomenInkomen uit werk: loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Een uitkering telt hier meestal niet als arbeidsinkomen., dus loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Een uitkering telt fiscaal niet als arbeidsinkomen. (Eén uitzondering: een socialezekerheidsuitkering die via de werkgever wordt uitbetaald, telt wel mee als arbeidsinkomen.)

Het gevolg is meteen duidelijk. Wie geen arbeidsinkomen heeft, krijgt geen arbeidskorting en geen IACK. Allebei nul. En omdat die kortingen bij een werkende juist duizenden euro's van de belasting afhalen, betaalt iemand met een uitkering bij hetzelfde inkomen netto meer belasting.

Om een idee van de omvang te geven: bij een modaal inkomen is de arbeidskorting al gauw een paar duizend euro per jaar. Een werkende krijgt die korting; iemand met een uitkering niet. Dat verschil betaalt de uitkeringsgerechtigde dus extra, bij precies hetzelfde bruto-inkomen.

Hetzelfde prijskaartje, minder kassakorting

Je belasting wordt in twee stappen bepaald. Eerst de belasting in de schijven, het "prijskaartje". Daarna de kortingen eraf, de "kassakorting". Voor iemand met een uitkering is het prijskaartje gelijk aan dat van een werkende, maar de kassakorting is kleiner. De arbeidskorting en IACK ontbreken. Onder de streep blijft er dus meer te betalen over.

Het verschil is over de jaren groter geworden

Dit is geen klein effect, en het groeit. De maximale arbeidskorting is sinds de invoering van de Wet IB 2001 fors toegenomen. Elke verhoging maakt het verschil tussen werkenden en mensen met een uitkering groter, want alleen de eerste groep profiteert ervan. Wat ooit een bescheiden tegemoetkoming was, is uitgegroeid tot een flinke kloof.

Spanning met het draagkrachtbeginsel

De inkomstenbelasting hoort te heffen naar draagkracht. Wie evenveel te besteden heeft, draagt evenveel bij. Maar twee mensen met hetzelfde inkomen hebben in beginsel dezelfde draagkracht, of dat inkomen nu uit werk of uit een uitkering komt. Dat iemand met een uitkering toch meer belasting betaalt, botst daarmee. Samen met de armoedecijfers onder uitkeringsgerechtigden is dat een pijnlijke uitkomst.

De reden is beleidsmatig. De arbeidskorting is bewust ingezet om werken aantrekkelijker te maken, niet zuiver om naar draagkracht te heffen. Zo botsen twee doelen van het stelsel, en de uitkeringsgerechtigde voelt het verschil.

Wil je het verschil voor een concreet inkomen zien? Vergelijk de belastingdruk van een werkende en iemand met een uitkering in de situatieberekening.

Gebaseerd op het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden (VU Amsterdam, 2024), §3.2.1, en A.T.H. van der Linden, "De uitruil tussen arbeidsparticipatie en armoederisico voor uitkeringsgerechtigden in de IB" (WFR 2024/116). Zie het proefschrift.