Neem twee mensen met exact hetzelfde bruto-inkomen. De één verdient het met werken, de ander ontvangt een uitkering. Toch houdt de werkende netto meer over. Niet door een lager tarief — ze vallen onder dezelfde schijven — maar door één fiscaal mechanisme dat vaak over het hoofd wordt gezien.
De belangrijkste heffingskortingen voor werkenden — de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) — worden berekend over je arbeidsinkomen: loon of winst uit onderneming. Een uitkering telt fiscaal niet als arbeidsinkomen.
Het gevolg is direct: wie geen arbeidsinkomen heeft, heeft geen recht op arbeidskorting en geen recht op IACK. Beide bedragen nihil. En omdat die kortingen bij een werkende juist duizenden euro's van de belasting afhalen, betaalt de uitkeringsgerechtigde bij hetzelfde inkomen netto meer inkomstenbelasting.
Je belasting wordt in twee stappen bepaald: eerst de belasting in de schijven (het "prijskaartje"), dan de heffingskortingen eraf (de "kassakorting"). Voor de uitkeringsgerechtigde is het prijskaartje gelijk aan dat van de werkende, maar de kassakorting is kleiner — de arbeidskorting en IACK ontbreken. Onder de streep blijft er dus meer te betalen over.
Dit is geen klein effect, en het groeit. De maximale arbeidskorting is sinds de invoering van de Wet IB 2001 fors toegenomen. Elke verhoging van de arbeidskorting vergroot het verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden — want alleen de eerste groep profiteert ervan. Wat ooit een bescheiden tegemoetkoming voor werkenden was, is uitgegroeid tot een aanzienlijke wig tussen beide groepen.
De inkomstenbelasting hoort te heffen naar draagkracht: wie hetzelfde kan besteden, draagt evenveel bij. Maar twee mensen met hetzelfde inkomen hebben in beginsel dezelfde draagkracht — ongeacht of dat inkomen uit werk of uit een uitkering komt. Dat de uitkeringsgerechtigde tóch meer belasting betaalt, staat daarmee op gespannen voet. In combinatie met de armoedecijfers onder uitkeringsgerechtigden is dat een pijnlijke uitkomst.
De achterliggende reden is beleidsmatig: de arbeidskorting is bewust ingezet om werken aantrekkelijker te maken (een arbeidsmarktprikkel), niet zuiver om naar draagkracht te heffen. Daarmee botsen twee doelen van het stelsel — en de uitkeringsgerechtigde voelt het verschil.
Wilt u het verschil voor een concreet inkomen zien? Vergelijk de belastingdruk van een werkende en een uitkeringsgerechtigde in de rekentool.
Gebaseerd op het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden (VU Amsterdam, 2024), §3.2.1, en A.T.H. van der Linden, "De uitruil tussen arbeidsparticipatie en armoederisico voor uitkeringsgerechtigden in de IB" (WFR 2024/116). Zie het proefschrift.