Bijna alle toeslagen draaien om één inkomensbegrip: het toetsingsinkomen. Het bepaalt of je zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag krijgt, en hoeveel. Wie dat begrip snapt, ziet ook waarom een aftrekpost vaak twee keer voordeel oplevert: minder belasting en meer toeslag.
Het toetsingsinkomen is het inkomen waarmee de Belastingdienst je recht op toeslagen bepaalt. Voor vrijwel iedereen komt het neer op je verzamelinkomenJe inkomen in box 1, 2 en 3 samen, ná aftrekposten. De basis voor je inkomstenbelasting én, als toetsingsinkomen, voor je recht op toeslagen. in de inkomstenbelasting: je belastbaar inkomen in box 1 (werk en woning), plus je inkomen in box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (sparen en beleggen). Een paar bijzondere inkomensbestanddelen blijven daarbij buiten beschouwing, maar in vrijwel alle situaties is het toetsingsinkomen gelijk aan het verzamelinkomen. Het is dus geen nieuw inkomen om uit te rekenen. Het is hetzelfde cijfer dat ook de basis vormt voor je inkomstenbelasting.
Het toetsingsinkomen is voor alle toeslagen gedefinieerd als het inkomensgegeven zoals dat in het berekeningsjaar bij de Belastingdienst bekend is. Concreet wordt daarmee gedoeld op het verzamelinkomen in de inkomstenbelasting.Van der Linden, proefschrift, p. 78
Voor één persoon komt het op hetzelfde neer. Het toetsingsinkomen is formeel het inkomensgegeven zoals dat over het berekeningsjaar bij de Belastingdienst bekend staat, en dat gegeven is meestal je verzamelinkomen. Dat er twee namen zijn, komt doordat ze uit verschillende wetten stammen: het verzamelinkomen uit de inkomstenbelasting, het toetsingsinkomen uit de wet die de toeslagen regelt. Je hoeft er dus geen aparte berekening voor te maken. Het verschil dat in de praktijk uitmaakt zit in de optelling: je verzamelinkomen is een cijfer per persoon, terwijl je toeslag wordt vastgesteld op het gezamenlijke toetsingsinkomen van jou en je toeslagpartner.
Heb je een toeslagpartnerDe partner van wie het inkomen meetelt voor je toeslagen. Valt meestal samen met je fiscale partner., dan telt diens toetsingsinkomen mee: de toeslag wordt bepaald op het toetsingsinkomen van jou en je toeslagpartner samen. Het begrip toeslagpartner valt meestal samen met dat van fiscaal partner. Twee mensen met ieder een bescheiden inkomen kunnen samen dus boven een toeslaggrens uitkomen.
Op één punt is "hetzelfde" te kort door de bocht, en dat punt raakt juist de mensen met de laagste inkomens. Het inkomensgegeven kent twee routes. Is er over het jaar een aanslag inkomstenbelasting vastgesteld, dan is het gegeven je verzamelinkomen. Is die er niet — en veel mensen met alleen loon of alleen een uitkering doen geen aangifte — dan is het gegeven je belastbare loon. Dat is het begrip uit de loonbelasting, en dat is niets anders dan het gezamenlijke bedrag aan loon: er gaat geen enkele aftrekpost vanaf.
Het gevolg is scherper dan het klinkt. Doe je geen aangifte, dan verlagen je giften, je zorgkosten, je betaalde partneralimentatie en ook je reisaftrek je toetsingsinkomen niet, en loop je de hogere toeslag die daarbij hoort mis. Die reisaftrek bestaat alleen in de inkomstenbelasting, dus zonder aangifte komt hij nergens terecht. Aangifte doen kan je toeslag dus verhogen, ook in een jaar waarin je van de belasting zelf niets terugkrijgt.
Je hoeft het toetsingsinkomen niet apart uit te rekenen. In stappen ziet het er zo uit:
De vraag is bijna altijd: telt dit ook mee? Het antwoord volgt uit de vorige stap. Alles wat in box 1, 2 of 3 belast wordt, zit in je verzamelinkomen en dus in je toetsingsinkomen. Voor box 1 gaat het om deze categorieën:
Kinderalimentatie staat hier bewust niet tussen: die is bij de ontvanger onbelast en bij de betaler niet aftrekbaar, en raakt je toetsingsinkomen dus langs geen van beide kanten.
Box 1 is voor de meeste mensen het hele verhaal, maar de andere twee boxen tellen net zo hard mee. In box 2 gaat het om inkomen uit een aanmerkelijk belang: het dividend dat je uit je eigen bv opneemt, de winst als je die aandelen verkoopt, en — minder bekend — het deel van je lening bij je eigen bv dat boven de wettelijke grens uitkomt, dat de wet als regulier voordeel belast zonder dat er een euro is uitgekeerd. Ze tellen mee in het jaar waarin je ze geniet, dus één keer dividend uitkeren of één keer verkopen kan je toeslagrecht over dat hele jaar wegnemen. In box 3 gaat het niet om je vermogen zelf maar om het rendement dat de wet je daarover toerekent; hoe dat doorwerkt staat twee kopjes verderop.
Minstens zo vaak gaat de vraag over geld dat binnenkomt zonder dat het je toeslag raakt. De maatstaf blijft dezelfde: wordt het in box 1, 2 of 3 belast, dan zit het in je verzamelinkomen en telt het mee. Valt het buiten alle drie, dan telt het niet.
Twee posten worden juist vaak over het hoofd gezien terwijl ze volledig meetellen. Een ontslagvergoeding is loon uit vroegere dienstbetrekking en drukt in het jaar van uitbetaling je toeslagrecht over dat hele jaar. Voor een nabetaling of de afkoop van een klein pensioen geldt hetzelfde: het bedrag hoort fiscaal bij het jaar waarin je het ontvangt, ook als het over eerdere jaren gaat.
Op die laatste twee bestaat één uitzondering, en die is de moeite van het kennen waard omdat je hem zelf moet aanvragen. Voor de huurtoeslag kun je vragen om een nabetaling of de afkoop van een klein pensioen buiten je toetsingsinkomen te laten. Bij een nabetaling geldt daarbij een doelmatigheidsgrens, en de uitzondering werkt alleen voor de huurtoeslag: voor de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag telt het bedrag gewoon mee in het jaar van ontvangst. Een ontslagvergoeding valt er niet onder.
Het saldo op je spaarrekening is geen inkomen, en toch merk je het aan je toeslag. Dat komt doordat vermogen langs twee losse routes doorwerkt, en die twee doen iets heel verschillends.
De eerste route loopt via je inkomen. Boven het heffingvrije vermogen rekent de wet je in box 3 een forfaitair rendement toe. Dat rendement zit in je verzamelinkomen en dus in je toetsingsinkomen, en schuift je toeslag geleidelijk omlaag, net zoals extra loon dat zou doen. Was je werkelijke rendement lager dan het forfait, dan kun je dat sinds de tegenbewijsregeling laten gelden, en werkt die lagere uitkomst langs dezelfde weg door in je toeslag.
De tweede route is een harde grens. Kom je boven de vermogensgrens, dan vervalt je recht in één keer, hoe laag je inkomen ook is. Die grens verschilt per toeslag, en het verschil is groot: voor de huurtoeslag ligt hij ruwweg tweeënhalf tot bijna vier keer lager dan voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, afhankelijk van of je een partner hebt. Bij de huurtoeslag telt bovendien het vermogen van medebewoners mee, elk met een eigen grens. De kinderopvangtoeslag kent deze grens niet en toetst uitsluitend op inkomen.
Allebei kijken ze naar 1 januari. Dat is de nuance die het meest uitmaakt en het minst bekend is. Zowel het forfaitaire rendement als de vermogensgrens gaat uit van je vermogen aan het begin van het berekeningsjaar. Krijg je in maart een erfenis waardoor je boven de grens uitkomt, dan houd je je toeslag over dat jaar gewoon; je verliest hem pas per de volgende 1 januari. Andersom werkt het net zo: vermogen dat je in de loop van het jaar uitgeeft, telt voor dat jaar nog volledig mee.
Op één punt gaat die peildatum niet op. Doe je een beroep op de tegenbewijsregeling, dan wordt je werkelijke rendement niet op 1 januari vastgesteld maar over het hele kalenderjaar berekend, inclusief waardeveranderingen. De vermogensgrens blijft dan wel gewoon aan de peildatum hangen. Wie tegenbewijs levert, heeft dus met twee verschillende meetmomenten tegelijk te maken: een jaarbedrag voor het inkomen, een momentopname voor de grens.
Het verschil tussen die twee routes bepaalt wat een euro spaargeld erbij doet. Onder de grens kost vermogen je toeslag beetje bij beetje. Bij het overschrijden van de grens is het verlies niet geleidelijk: één euro te veel op de peildatum kost de hele toeslag. Reken je eigen situatie door als je in de buurt van zo'n grens zit.
Betaalde partneralimentatie werkt precies andersom en verlaagt je toetsingsinkomen. Wel geldt daarvoor dezelfde aftopping als voor de hypotheekrente: vanaf de derde schijf krijg je de aftrek nog tegen maximaal 37,56% terug in plaats van tegen je toptarief.
Aan de andere kant staat de vraag die minstens zo vaak gesteld wordt: welke posten halen er iets vanaf? Alles wat je belastbaar inkomen verlaagt, verlaagt je toetsingsinkomen mee. Dat loopt langs vier routes.
De persoonsgebonden aftrek. Dat zijn er sinds een aantal wetswijzigingen nog vier:
Let op de volgorde waarin die aftrek landt: hij vermindert eerst je inkomen in box 1, en pas als daar niets meer af kan je inkomen in box 3, en daarna box 2. Blijft er ook dan iets over, dan gaat dat restant mee naar een volgend jaar en verlaagt het je toetsingsinkomen dán alsnog. Een groot bedrag aan zorgkosten of giften kan je toeslagrecht dus over twee jaren beïnvloeden.
De aftrek eigen woning. De hypotheekrente min het eigenwoningforfait. Bij een afbetaalde hypotheek kan dat saldo positief worden en je toetsingsinkomen juist verhógen.
De ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. De ondernemersaftrek bestaat uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek. De MKB-winstvrijstelling komt daar nog overheen, en wordt berekend over de winst ná die ondernemersaftrek. Dit is de reden dat een zzp'er bij hetzelfde bruto-inkomen een lager toetsingsinkomen heeft dan een werknemer.
De reisaftrek. Reis je met openbaar vervoer naar je werk en vergoedt je werkgever dat niet of niet volledig, dan verlaagt de reisaftrek je belastbaar loon en daarmee je toetsingsinkomen.
Eén veelgemaakte aanname klopt niet meer: scholingsuitgaven zijn geen aftrekpost meer. Die post is uit de wet geschrapt, dus een opleiding die je zelf betaalt verlaagt je toetsingsinkomen niet. Ook je hypotheekaflossing telt niet: alleen de rente is aftrekbaar, niet het deel dat je schuld verlaagt.
Bij de hypotheekrente is bekend dat de aftrek is afgetopt. Wat veel minder bekend is: diezelfde tariefmaatregel geldt voor vijf grondslagverminderende posten tegelijk. Naast de aftrekbare kosten van de eigen woning zijn dat de persoonsgebonden aftrek, de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de terbeschikkingstellingsvrijstelling. Val je in het hoogste tarief, dan krijg je dus ook je giften, je zorgkosten en je zelfstandigenaftrek terug tegen het afgetopte tarief en niet tegen je toptarief.
Voor je toeslag maakt die aftopping overigens niets uit. De aftopping is een correctie op de belastingberekening; je verzamelinkomen, en daarmee je toetsingsinkomen, is al verlaagd met het volle bedrag van de aftrek. Dezelfde euro aftrek levert dus minder belastingvoordeel op naarmate je meer verdient, terwijl het toeslageffect ongewijzigd blijft.
Heb je het hele jaar dezelfde fiscale partner, dan zijn drie posten gemeenschappelijk: de belastbare inkomsten uit eigen woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang en de persoonsgebonden aftrek. Die mag je bij de aangifte in elke verhouding tussen jullie verdelen, en je mag die verdeling nog wijzigen zolang de aanslagen niet onherroepelijk vaststaan.
Voor je belasting is die keuze geld waard: welke partner de aftrek neemt bepaalt tegen welk effectief tarief hij landt, en dat tarief verschilt per inkomenstraject omdat de afbouw van de algemene heffingskorting en de aftopping hierboven er allebei doorheen lopen. Het hoogste effectieve aftrektarief zit daardoor niet altijd bij de meestverdienende partner.
Voor je toeslag is die keuze zinloos. Toeslagen kijken naar het toetsingsinkomen van jou én dat van je partner samen. Schuif je een aftrekpost naar de ander, dan daalt zijn toetsingsinkomen en stijgt het jouwe met precies hetzelfde bedrag; de optelsom verandert niet, en je toeslag dus ook niet. Verdeel gemeenschappelijke posten daarom op de belasting, niet op de toeslag.
Tot hier was de regel steeds dezelfde: je toetsingsinkomen is je verzamelinkomen — of zonder aanslag je belastbare loon — samengeteld met dat van je toeslagpartner. Artikel 8 van de Awir kent daarnaast vier bijzondere situaties waarin dat beeld niet klopt. Drie van de vier corrigeren alleen op verzoek: wie ze niet kent, vraagt er niet om en betaalt het verschil zelf.
Buitenlands inkomen telt mee, ook al zit het niet in de Nederlandse aangifte. Woon of werk je deels buiten Nederland, dan wordt je niet in Nederland belastbare inkomen bij je toetsingsinkomen opgeteld. De Belastingdienst stelt dat bedrag vast met een aparte beschikking, de NiNbi-beschikking. Een buitenlands pensioen of loon uit een grensbaan verlaagt je toeslag dus net zo goed als Nederlands inkomen, ook al betaal je er hier geen inkomstenbelasting over. Dit is de enige van de vier die zonder verzoek werkt — en hij werkt tegen je toeslag in.
Uit elkaar in de loop van het jaar: het jaarinkomen van je ex kan te zwaar wegen. Voor de maanden waarin jullie toeslagpartners waren, telt het toetsingsinkomen van je ex-partner mee, en dat is een jáárbedrag. Is je ex na jullie uiteengaan meer gaan verdienen, dan drukt dat hogere inkomen door in maanden waarin jullie nog partners waren. Op verzoek wordt daarvoor gecorrigeerd: loon dat je ex na de beëindiging van het partnerschap kreeg blijft buiten beschouwing, net als een onderneming of freelancewerk die pas daarna is gestart, en het loon uit de partnerperiode wordt tijdsevenredig herleid naar een jaarloon. De correctie wordt alleen toegepast als het toetsingsinkomen van je ex-partner er minstens 10 procent lager door uitkomt. Voor de huurtoeslag geldt hetzelfde wanneer een medebewoner vertrekt.
Bij overlijden wordt een deel van een jaar herleid naar een heel jaar. Overlijdt de ontvanger van een toeslag zonder toeslagpartner of medebewoner, dan staat er over dat jaar maar een paar maanden inkomen tegenover een toeslagperiode die op maandbasis is toegekend. De wet herleidt dat inkomen daarom tijdsevenredig naar een jaarinkomen. Pakt die herleiding ongunstig uit, dan kunnen de erfgenamen vragen om in plaats daarvan het toetsingsinkomen van het jaar vóór het overlijdensjaar te gebruiken.
Kwijtgescholden zakelijke schulden kunnen op verzoek buiten het toetsingsinkomen blijven. Scheldt een schuldeiser een niet meer inbare zakelijke schuld kwijt, bijvoorbeeld in een sanering, dan is die kwijtscheldingswinst in de inkomstenbelasting in beginsel vrijgesteld. De vrijstelling wordt echter gekort met verliezen die nog verrekend konden worden — en juist na jaren van verlies is dat precies de situatie. Het deel van de kwijtscheldingswinst dat daardoor toch in je inkomen telt, zou je toeslagen wegdrukken in het jaar waarin je er het minst tegen kunt. Op verzoek wordt je toetsingsinkomen daarmee verminderd, binnen twee grenzen die tegelijk gelden: alleen voor zover de kwijtscheldingswinst groter is dan het verlies uit werk en woning dat je dat jaar verder al lijdt, en alleen voor het deel dat door die oude verliezen niet was vrijgesteld.
Drie van de vier toeslagen toetsen rechtstreeks aan het toetsingsinkomen: de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag. Bij de huurtoeslag kom je een andere naam tegen, het rekeninkomenDe naam die de Wet op de huurtoeslag geeft aan de gezamenlijke toetsingsinkomens die voor de draagkracht meetellen. Geen ander inkomensbegrip dus, maar dezelfde grootheid over een ruimere kring: bij de huurtoeslag telt ook het inkomen van bepaalde medebewoners mee., en dat wekt makkelijk de indruk van een apart inkomensbegrip. Dat is het niet. De Wet op de huurtoeslag omschrijft het rekeninkomen letterlijk als de gezamenlijke toetsingsinkomens die voor de draagkracht meetellen. Het is dus dezelfde grootheid, alleen opgeteld over een ruimere kring: bij de huurtoeslag telt ook het inkomen van bepaalde medebewoners mee. Alle vier de toeslagen toetsen aan het toetsingsinkomen; alleen de omvang van de kring verschilt.
Hier zit het inzicht. Je toetsingsinkomen is je verzamelinkomen ná aftrekposten. Een post die je belastbaar inkomen verlaagt, verlaagt daarmee ook je toetsingsinkomen. En een lager toetsingsinkomen betekent meer toeslag. Dezelfde aftrekpost werkt dus twee kanten op: hij verlaagt je belasting en hij verhoogt je toeslag.
Dat geldt voor de bekende grondslagverminderende posten. De hypotheekrenteaftrek verlaagt het verzamelinkomen van een huiseigenaar, en daarmee zijn toetsingsinkomen. Bij ondernemers doen de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling hetzelfde. Een zzp'er komt daardoor bij hetzelfde bruto-inkomen eerder en verder in aanmerking voor toeslagen dan een werknemer met precies dezelfde verdiensten. In het promotieonderzoek wordt dit punt expliciet gemaakt: grondslagverminderende posten als de hypotheekrenteaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek verlagen via het verzamelinkomen uiteindelijk het toetsingsinkomen.
Omdat meerdere toeslagen aan hetzelfde inkomen worden getoetst, raakt één extra euro ze allemaal tegelijk. Stijgt je toetsingsinkomen, dan kunnen de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag in hetzelfde inkomenstraject samen dalen. Die afbouwen stapelen op elkaar en op de afbouw van je heffingskortingen. Zo ontstaat de hoge marginale druk die het onderzoek zichtbaar maakt: van een loonsverhoging kan een groot deel weglekken doordat je over de hele linie toeslag inlevert.
Wil je zien wat jouw toetsingsinkomen met je toeslagen doet als je inkomen verandert? Reken het na in de situatieberekening. Die toont de samenloop van belasting en alle toeslagen over je hele inkomen.
Alle wetsverwijzingen hieronder volgen de tekst per 1 januari 2026. Het toetsingsinkomen is geregeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), dat het definieert als het inkomensgegeven; de optelling met het inkomen van de partner en van medebewoners volgt uit artikel 7 Awir. Wát dat inkomensgegeven is, staat niet in de Awir maar in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR): het verzamelinkomen als er een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, en anders het belastbare loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964. Het rekeninkomen is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de huurtoeslag, dat er uitdrukkelijk de gezamenlijke toetsingsinkomens van artikel 8 Awir onder verstaat; dat medebewoners meetellen volgt uit artikel 7, eerste lid, van die wet, terwijl de vrijstelling voor jonge medebewoners en de vermogenstoets per medebewoner in artikel 7, zesde respectievelijk vierde lid, Awir staan. Dat een nabetaling of de afkoop van een klein pensioen op verzoek buiten het toetsingsinkomen voor de huurtoeslag kan blijven, staat in artikel 2b van het Besluit op de huurtoeslag, met in het tweede lid een doelmatigheidsgrens voor nabetalingen. De aftrekposten volgen uit de Wet IB 2001: het verzamelinkomen uit artikel 2.18, het inkomen uit aanmerkelijk belang uit artikel 4.12 met het fictieve reguliere voordeel bij excessief lenen uit artikel 4.14a, de vrije toerekening van gemeenschappelijke posten tussen fiscale partners uit artikel 2.17, tweede en vijfde lid, de tariefmaatregel en de vijf grondslagverminderende posten waarvoor zij geldt uit artikel 2.10, tweede en derde lid, de persoonsgebonden aftrek en haar vier posten uit artikel 6.1, tweede lid, de verrekenvolgorde over de boxen uit artikel 6.2, de ondernemersaftrek uit artikel 3.74, de MKB-winstvrijstelling uit artikel 3.79a en de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld uit artikel 3.123a en de reisaftrek uit artikel 3.87 (artikel 3.80 definieert het belastbare loon als loon verminderd met die reisaftrek). Dat vermogen langs twee routes doorwerkt volgt uit twee verschillende regelingen: het forfaitaire rendement in box 3 loopt via het verzamelinkomen van artikel 2.18 Wet IB 2001, met het heffingvrije vermogen van artikel 5.5 en de tegenbewijsregeling van afdeling 5.6. De vermogensgrens staat daar los van en berust op artikel 7, derde lid, Awir, dat zelf de standaardgrens draagt en die koppelt aan de rendementsgrondslag aan het begin van het berekeningsjaar; dat is tevens de grens die voor de huurtoeslag geldt. Artikel 3, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag wijkt daar uitdrukkelijk van af met een hogere grens, en de Wet op het kindgebonden budget doet hetzelfde. De kinderopvangtoeslag kent geen vermogenstoets. De vier bijzondere situaties staan alle in artikel 8 Awir: de bijtelling van het niet in Nederland belastbare inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, in het tweede lid; de 10%-regeling bij beëindiging van het partnerschap in het derde lid, voor medebewoners van overeenkomstige toepassing verklaard in het vierde lid; de tijdsevenredige herleiding bij overlijden zonder partner of medebewoner in het vijfde lid, met het keuzerecht van de erfgenamen voor het voorafgaande jaar in het zesde lid; en de vermindering met kwijtscheldingswinst — voordelen uit het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001, voor zover die voordelen de som van het overigens geleden verlies uit werk en woning overtreffen én door de te verrekenen verliezen uit het verleden niet zijn vrijgesteld — in het zevende lid. Achtergrond en de doorwerking van aftrekposten: het promotieonderzoek van dr. A.T.H. van der Linden, De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), p. 78. Bedragen en grenzen wijzigen per jaar. Reken met het actuele jaar.
Je toetsingsinkomen komt voor vrijwel iedereen neer op je verzamelinkomen: je belastbaar inkomen in box 1 (werk en woning) ná aftrekposten, plus je inkomen in box 2 en box 3. Een paar bijzondere inkomensbestanddelen blijven buiten beschouwing. Heb je een toeslagpartner, dan telt diens toetsingsinkomen mee. Het is hetzelfde inkomen dat ook de basis is voor je inkomstenbelasting; je hoeft het niet apart uit te rekenen.
Ja. Alle vier de toeslagen worden getoetst aan het toetsingsinkomen van de Awir. Bij de huurtoeslag heet de optelsom alleen anders: het rekeninkomen. Dat is geen ander inkomensbegrip, maar de gezamenlijke toetsingsinkomens die voor de draagkracht meetellen — bij de huurtoeslag dus inclusief dat van bepaalde medebewoners.
Ja. Inkomen dat niet in Nederland belastbaar is, wordt bij je toetsingsinkomen opgeteld; de Belastingdienst stelt het vast met een aparte beschikking (de NiNbi-beschikking). Een buitenlands pensioen of loon uit een grensbaan verlaagt je toeslag dus net zo goed als Nederlands inkomen, ook al betaal je er hier geen inkomstenbelasting over.