Stel: je bent arbeidsongeschikt en hebt zoveel zorg nodig dat je uitkering wordt verhoogd om die extra kosten te dekken. Je zou verwachten dat je er dan op vooruitgaat. Toch kan het tegenovergestelde gebeuren — je houdt netto minder over. Hoe kan dat?
Wie arbeidsongeschikt is, kan een WIA- of Wajong-uitkering krijgen. Is iemand bovendien hulpbehoevend — in een blijvende toestand die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, zoals hulp bij wassen, aankleden en toiletgang — dan kan die uitkering worden verhoogd. Die verhoging is uitdrukkelijk bedoeld als compensatie voor de meerkosten van die zorg, niet als extra vrij besteedbaar inkomen.
Hier knelt het. Die verhoging telt fiscaal gewoon mee als inkomen: er wordt belasting over geheven, en ze telt mee voor de hoogte van je toeslagen. Doordat het inkomen stijgt, bouwen zorgtoeslag, huurtoeslag en eventueel kindgebonden budget af. Van de euro's die bedoeld waren om de zorgkosten te dekken, blijft daardoor maar een deel over. Het onderzoek noemt dit het "minder-meer"-effect: hoe meer toeslagen iemand kreeg, hoe meer er van zo'n verhoging weglekt.
Een voorbeeld. Stel de uitkering gaat met €2.000 per jaar omhoog om zorgkosten te dekken. Daar gaat eerst belasting van af, en doordat het inkomen stijgt dalen de zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget samen met nog eens een paar honderd euro. Onder de streep blijft van die €2.000 misschien de helft over — terwijl de zorgkosten wél €2.000 bedragen.
Daar komt iets bij. Een uitkering telt fiscaal niet als arbeidsinkomen, dus de arbeidskorting en de IACK gelden niet. Iemand met een uitkering betaalt daardoor bij hetzelfde inkomen al meer belasting dan een werkende. De verhoging valt dus in een toch al zwaar belast traject.
Een betrokkene legde dit voor aan de rechter. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat hier sprake was van een individuele en buitensporige last in de zin van het eigendomsrecht (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM) — kort gezegd: een last die zó zwaar en zó specifiek op deze persoon drukt dat die in strijd komt met dat grondrecht.
Het onderzoek plaatst daar een kanttekening bij, en die is leerzaam. Een last is pas individueel als hij voortkomt uit bijzondere omstandigheden die niet voor de hele groep gelden. Maar deze hoge druk volgt juist uit de algemene opzet van het stelsel: hij treft iedereen in dezelfde situatie. En of een last buitensporig is, kun je niet aflezen aan de marginale druk alleen. Daarvoor moet je naar het besteedbaar inkomen als geheel kijken.
En daar zit een bijna-paradox: hoe hoger de marginale druk, hoe lager doorgaans de gemiddelde druk en hoe hoger het besteedbaar inkomen. Wie veel toeslagen krijgt, heeft een hoge marginale druk én een relatief hoog besteedbaar inkomen. Een hoge marginale druk is dus, net als bij de armoedeval, op zichzelf geen bewijs dat iemand er per saldo slecht van afkomt.
Het is bijna paradoxaal, maar hoe hoger de marginale inkomstenbelasting- en toeslagendruk is, hoe lager de gemiddelde druk en hoe hoger het besteedbare inkomen. Voor die bijna-paradox heeft de wetgever echter wel bewust gekozen. Proefschrift A.T.H. van der Linden (VU, 2024), §2.4.1
Het echte probleem zit niet zozeer in de hoogte van de druk, maar in iets specifiekers: een verhoging die bedoeld is voor zorgkosten wordt belast én doet toeslagen afbouwen. Het onderzoek draagt daarom aan om de verhoging wegens hulpbehoevendheid vrij te stellen van inkomstenbelasting. Dan wordt ze niet belast en telt ze niet mee voor de afbouw van toeslagen, zodat het geld terechtkomt waarvoor het bedoeld was. Een verwante gedachte is om WIA- en Wajong-gerechtigden die hulpbehoevend zijn, alsnog recht op arbeidskorting te geven.
Of meer inkomen voor jou per saldo loont, hangt af van je hele situatie. De situatieberekening laat marginale druk, gemiddelde druk en besteedbaar inkomen samen zien.
Gebaseerd op A.T.H. van der Linden, "De inkomensverlagende inkomensverhoging wegens hulpbehoevendheid" (WFR 2023/179 en WFR 2023/186), opgenomen in het promotieonderzoek De verdeling van de marginale en gemiddelde inkomstenbelasting- en toeslagendruk (VU Amsterdam, 2024), §2.4.1.